Munten vertellen de geschiedenis van een land. Nog steeds vind ik het een grote prestatie dat ons piepjonge Koninkrijk al in 1832 de eerste Belgische munten kon slaan. België bestond toen net 2 jaar. De periode 1830-1832 fascineert me. Deze jaren waren politiek gezien een hogedrukvat. Ik verbaas me er iedere keer weer opnieuw over hoe snel België onafhankelijk wist te worden. Hoe snel we van de guldens van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden naar de Belgische Franken gingen. Erasme-Louis Surlet de Chokier fascineert me in het bijzonder. Deze Luikse baron speelde een belangrijke rol in de stichting van België. Op 1 maart was het 187 jaar geleden dat hij Regent van België werd.

1 januari 1830 hoorden we nog bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. 25 augustus 1830 begon de Belgische Opstand met een opera: La Muette de Portici. 4 oktober 1830 verklaarde het Voorlopig Bewind ons land onafhankelijk van Nederland. Op 3 november 1830 werd het Nationale Congres geïnstalleerd dat een grondwet moest opstellen voor het gloednieuwe land. Het koos Erasme-Louis Surlet de Chokier tot voorzitter. Al op 7 februari 1831 hadden we een eigen grondwet. België werd een Koninkrijk. Volgens onze eerste grondwet moest er bij het ontbreken van een Koning een regent voor het land komen. Dat werd op 1 maart 1831 Surlet de Chokier. Hij was ons eerste staatshoofd. Zijn regentschap duurde tot 21 juli 1831. Op die dag legde Prins Leopold de eed af als onze eerste Koning der Belgen. Leopold was onze eerste Koning maar ons tweede Staatshoofd!

De persoon Surlet de Chokier en vooral zijn carrière in de 70 jaar van zijn leven boeien me mateloos. Hij leefde in een turbulente tijd. Tussen 1789 en 1839 is hij actief geweest in het openbare leven onder 6 verschillende maar wel elkaar opvolgende regimes. Als eerste openbare daad deed hij in 1789 mee met een opstand in Luik tegen het autoritaire bewind van de Prins-bisschop. Zijn tweede optreden was in 1790 als luitenant in het leger van de Verenigde Nederlandse Staten een samenwerking van 9 provincies van de Zuidelijke Nederlanden. Zij verklaarden zich onafhankelijk van de landheer, Keizer Jozef II van Oostenrijk. Eind november 1790 stelden Oostenrijkse troepen orde op zaken. Surlet vluchtte naar Breda in de Noordelijke Nederlanden. In 1792 keerde hij terug naar zijn voorvaderlijk kasteel in Gingelom.

In 1795 bezette het revolutionaire Frankrijk de Nederlanden. Surlets derde loopbaan was in Franse dienst. Van 1797 tot 1814 trad hij op als bestuurder van het departement Nedermaas. In 1812 werd hij zelfs lid van de Franse Keizerlijke Wetgevende vergadering in Parijs. Niemand schijnt hem deze Franse carrière kwalijk genomen te hebben want in 1815 begon hij zijn vierde carrière als lid van de Tweede Kamer van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Bij de Belgische opstand pleitte hij aanvankelijk voor behoud van de Oranjes als vorsten. Hij stelde zich wel kandidaat voor het Nationaal Congres, zijn vijfde optreden in een openbaar ambt. Na zijn Regentschap werd hij bedankt voor bewezen diensten met een staatspensioen van 10.000 gulden per jaar. Hij sloot zijn publieke leven af als burgemeester van Gingelom tot zijn dood in 1839. Dat was zijn zesde optreden als gezagdrager. Hij hield zich in die laatste 8 jaar ook bezig met het fokken van Merinoschapen. Daarmee sloot hij een parallelle carrière af als gewaardeerd deskundige voor het ontwikkelen van landbouw en veeteelt in ons land.